17-03-2016

Maandagochtend half acht, we zitten gedrieën aan de ontbijttafel. Nog ietwat in onszelf gekeerd, want het is de eerste dag na de voorjaarsvakantie en we moeten weer even wennen aan de dagelijkse rituelen voordat we naar school en werk gaan. Vanuit mijn stoel kijk ik de tuin in, het natte gras lijkt over te gaan in de aangrenzende sloot. Knotwilgen volgen het pad en in de verte steken de molens af tegen het ochtendlicht.

Mijn kippetjes scharrelen al wat rond, vrolijk kakelend in wit en bruine verentooi. Ze leggen al weer ijverig, de dames. Vlak naast het kippenhok strijkt een reiger neer. Ietwat schijnheilig staat hij daar bijna dagelijks te wachten. Ik wend me tot de kinderen, smeer broodjes, drink samen thee en bespreek de dingen van de dag door.

Het licht stroomt langzaam de kamer binnen, de roze wanden krijgen meer kleur, het blauw van de schouw toont haar tegelverhalen en de gaskachel doet haar best de nachtelijke koude te verdrijven.

Net als ik weer even naar buiten kijk heeft de reiger zijn slag geslagen, een flinke vis spartelt tussen zijn lange snavel. Met de poten wijdbeens maakt de reiger korte metten met zijn maal. Hij moet aardig slikken, maar uiteindelijk staat hij voldaan en met een dikke hals te kijken naar de eenden die langs zwemmen.

De klok slaat acht uur, de poezen hebben zich bij de kachel genesteld en wij zijn klaar voor vertrek. Zomaar een ochtend in een zaans huisje. Een bijzonder huisje met een lange geschiedenis en vele bewoners voor ons. Een huisje dat ons drieën omarmt en voor ons nu thuis is.

Carleen Lebens